Chronische Myeloïde Leukemie (CML)
Chronische myeloïde leukemie (CML) is een kwaadaardige ziekte. De ziekte begint in het beenmerg: één stamcel loopt een beschadiging op van het erfelijk materiaal, die door deling aan alle nakomelingen van deze ene cel wordt doorgegeven.
CML wordt ook wel chronische granulocyten leukemie genoemd, naar het type witte bloedcellen, dat erbij betrokken is. De aandoening is zeldzaam: slechts in 20% van alle gevallen van leukemie is er sprake van CML.
De onbehandelde ziekte verloopt in het begin heel geleidelijk; er zijn in het bloed en beenmerg steeds meer van de kwaadaardige cellen te vinden en steeds minder normale cellen. Deze kwaadaardige cellen worden gekenmerkt doordat ze bij verreweg de meeste patiënten een afwijkend chromosoom, het Philadelphia chromosoom, bezitten. Op de chromosomen zitten de erfelijke eigenschappen; de ziekte zelf is echter niet overerfbaar.
Na verloop van enkele jaren treedt, indien de patiënt niet behandelde wordt, een versnelde fase op en nog later een acute fase, die uiteindelijk tot de dood leidt.
CML-patiënten werden tot voor een paar jaar terug behandeld met klassieke chemotherapie. Dit gebeurt nog steeds als bij de patiënten een bepaalde verandering in de chromosomen van de kwaadaardige cel ontbreekt: het Philadelphia chromosoom. Als het Philadelphia chromosoom aanwezig is, dan zijn er betere behandelmethoden. Er zijn in 2001 nieuwe medicijnen ontwikkeld (géén chemotherapie), waarmee bij de meeste patiënten de ziekte goed te behandelen is. De verwachting van deze nieuwe medicijnen is, dat de patiënt niet aan CML zal overlijden, maar aan 'iets anders'. Wel is het belangrijk dat de patiënt die nieuwe medicijnen lang - misschien wel levenslang - blijft slikken.
